Leer duiken bij duikvereniging Lake Diving Utrecht  
  Welkom, bezoeker! | Log in
 Menu
 Home
De vereniging
 Welkom
 Contactinformatie
 Foto-album
Duiken bij Lake Diving
 Maak een proefduik
 Lid worden
 Duikbrevet halen
 Inschaling
 Vervolgopleidingen
 Cursusplanning
 Specialisaties
 Duikuitrusting
Voor de leden
 Forum
 Activiteitenagenda
 Zaterdagduikrooster
 Trainingsrooster
 Documenten
 Club biologie
 
 Wie is er
Er zijn op dit moment 35 gasten en 0 leden online.

U bent niet ingelogd.
 
 Volg ons op Twitter
 
Snoek
Onderwaterbiologie door Ivo Schenk




Algemeen
De familie der snoeken bestaat uit 6 soorten. De in ons land voorkomende snoek is de gewone snoek (Latijnse naam: Esox Lucius). De snoek kan onder gunstige omstandigheden 140 cm groot worden. De overige 5 soorten komen niet in nederland voor.

Zoals gezegd kan de snoek 140 cm lang worden. Hiermee is het een van de grootste rovers in onze zoetwaterpartijen. De enige die zijn lengte overschrijd is de meerval. Door zijn grote heeft de snoek geen natuurlijke vijanden. De enige die hij ooit heeft gehad, de otter, is in Nederland uitgestorven.

De paring
Snoeken zijn bij een lengte van 30 tot 45 cm geslachtsrijp. Ze zitten dan ongeveer in hun 3e of 4e levensjaar. De paring is van februari tot april. Hiermee is de snoek een van de eerste vissen die in het vroege voorjaar met de paring begint. De snoek wordt gestimuleerd door het stijgen van de watertemperatuur (ongeveer 6 tot 14 graden) en het lengen van de dagen. De paarrijpe snoeken trekken naar een diepte van ongeveer 60 cm waar waterplanten of resten daarvan aanwezig zijn. De mannetjes arriveren het eerst, soms wel 2 weken eerder dan de vrouwtjes. Als de vrouwtjes gearriveerd zijn begint de paring. Het vrouwtje en het mannetjes (soms wel 2 tot 5 kleinere mannetjes) zwemmen langzaam zij aan zij. Vlak voor de werkelijke paringsdaad buigt het mannetje zijn staart van het vrouwtje af en geeft een fikse klap tegen het achterlijf. Beiden schieten daarna naar voren en stoten gelijktijdig hom en kuit af. Na het paren blijven de mannetjes enige tijd achter op de paaigronden. De eitjes worden echter niet bewaakt.

Het broedsel
De eitjes worden enige minuten na het afpaaien kleverig. Ze blijven daardoor uiteindelijk aan waterplanten of resten daarvan kleven. De eitjes die in de modderige bodem terecht kommen beschimmelen en sterven af. Van de overblijvende eitjes komt zeker niet alles uit. De beste ontwikkeling en overleving is mogelijk bij temperaturen van 7 tot 16 graden. Beneden de 5 en boven de 20 graden komt er weinig van de eitjes terecht.

De larven
De net uitgekomen larven zwemmen met onhandige bewegingen zo snel mogelijk naar het licht toe (ongeveer 10 tot 15 cm onder het wateroppervlak). Obstakels gaan ze niet uit de weg. Integendeel, op het moment dat ze met hun kop tegen een takje of een waterplant botsen houden ze op met zwemmen. De larfjes hechten zich dan vast met een speciaal kleeforgaan op hun kop. Vanaf dat moment houden ze zich muisstil, om niet opgemerkt te worden door vijanden. Het is voor de larven van levensbelang om zo snel mogelijk naar de oppervlakte te zwemmen. Dit is omdat op de bodem nog wel eens zuurstofloosheid optreed. De larven zijn daar uiterst gevoelig voor. Ze hebben namelijk nog geen kieuwen, maar ademen door hun huid heen. Ook kunnen de snoekjes hoger in de vegetatie door de lichtere omstandigheden pigment vormen Dit zorgt weer voor een goede camouflage tegen rovers die zich tussen de waterplanten ophouden.

1e levensjaar
In de fase van de hangende larf wordt de dooierzak verteerd. Op het moment dat het zwemmende stadium aanbreekt gaat het jong snoekje over op het eten van watervlooien. Ze blijven nog in water van ongeveer 10 tot 30 cm diepte. Vanaf een lengte van ongeveer 4 cm gaat er ook vis op het voedselpakket voorkomen. Het snoekje is dan ongeveer 6 weken oud. Vanaf dit moment zullen de jonge snoekjes elkaar niet meer tolereren en zullen zelf hun broertjes of zusjes proberen op te eten. De snoekjes zullen dus uit elkaar gaan en dieper water gaan zoeken om meer ruimte te creŽren. Ze zullen dit tussen de planten blijven doen maar nu tot de diepte waar de vegetatie ophoudt. De eerste snoekjes die de paaigebieden verlaten(rond eind april tot begin mei treffen daar in de begroeide oeverzone snoeken aan van 15 tot 60 cm. Omdat de ruimte in de nog nauwelijks ontwikkelde vegetatie zeer gering is zullen zij daar vrijwel allemaal aan ten prooi vallen. Voor de snoekjes die 2 weken later de paaigebieden verlaten (half tot eind mei) is de kans op overleven een stuk groter omdat in die periode de waterplanten explosief zijn gaan groeien en er voldoende schuilgelegenheid is. Bovendien is door de hogere watertemperaturen de activiteit van de witvis (voorn, zeelt, brasem enz.) toegenomen, waardoor er voor de meerjarige snoeken eten in overvloed is. Voor de 1ejaars snoekjes zijn de witvissen echter nog te groot om aan te kunnen. Zij zullen elkaar dus opeten om toch aan hun voedselbehoefte te kunnen voldoen. Hier geldt dat de sterkste overwinnen wat weer gezonde en sterke snoeken oplevert. Aan het kannibalisme zal rond begin juni een eind komen. Vanaf deze periode zullen de eitjes van de witvissen uit komen en massaal de begroeiing bevolken. Er is nu dus ook voor de 1ejaars snoekjes een overvloed aan voedsel. Deze overvloed duurt twee maanden. Dan zal de witvis naar open water trekken. De kleine snoekjes zullen ze niet achterna gaan omdat in het open water de echte grote exemplaren zitten die wel een jong snoekje lusten. Ze zullen hun voedsel uit insectenlarven halen. De snoeken die wel gaan zoeken naar voedsel zullen ten prooi vallen aan de groter exemplaren die ook tussen de planten zitten.

2e levensjaar
De snoek zal in zijn tweede levensjaar tot tussen de 30 en 40 centimeter uitgroeien. Ook nu nog zal de snoek sterk afhankelijk van de oeverbeplanting zijn. Dit omdat de grote snoeken in het open water nog steeds een bedreiging vormen.

3e en 4e levensjaar.
Zijn er weinig echt grote snoeken in het betreffende water (groter dan 60 cm) dan zullen ze de oeverbeplanting kunnen verlaten. In dit geval zullen ze snel uitgroeien naar een grote van 50 tot 60 cm. Zijn er wel grote snoeken in het water dan zullen ze de beplanting weer in gedwongen worden waardoor er weer weinig 1e en 2e jaarssnoekjes zullen overleven. Je ziet dus dat het aantal snoeken door de natuur in stand gehouden wordt.

De echt grote snoeken
De echt grote snoeken (hiermee bedoelen we snoeken van groter dan 60 cm) zullen zich veelal in open water bevinden. Ze zoeken een plaats waar zij zo gemakelijk mogelijk aan hun voedsel kunnen komen. Je kunt ze dus het best zoeken bij plaatsen waar ze dekking kunnen vinden en waar voldoende prooidieren zijn van slikbare afmeting. Snoeken kunnen een vis naar binnen werken die 75 % van zijn eigen lichaamsgewicht is. Dit betekent dat een snoek van ongeveer 60 cm een prooi van 45 cm aan kan. De mannetjessnoeken kunnen maximaal 85 cm worden terwijl de vrouwtjes 140 cm kunnen worden. Snoeken die ongeveer dezelfde afmeting hebben zullen elkaar in hun nabijheid tolereren mits er voldoende prooidieren zijn. Het kan dus voorkomen dat je 2 of meer snoeken van grote afmeting bij elkaar tegenkomt. Denk dan niet dat ze paren want dat doen ze alleen onder de omstandigheden die eerder werden gegeven. Ze maken dan gewoon gebruik van een ideaal jacht gebied waar voldoende prooidieren zijn. Ook zullen zij niet met elkaar jagen.

De jacht
Een snoek die op zoek is naar een prooi wacht geduldig op een voorbij zwemmend slachtoffer. Als deze zich aandient zal hij langzaam met zijn bek richting het prooidier draaien. Als hij in positie is schiet hij op zijn prooi af. Om op de goeie koers te blijven maakt de snoek niet allen gebruik van zijn ogen. Hij heeft ook nog een zijlijn orgaan. Met deze twee organen berekent de snoek heel precies de beweging van de prooi en de snelheid hiervan. Een prooidier dat zal willen ontsnappen zal zijn lichaam in een C vormige stand krommen. Dit zal hij doen om snelheid te kunnen maken. Hierdoor veranderd de kop en de staart van positie. Een punt blijft op de zelfde positie. Dat is het punt 1/3e van de lengte gerekend vanaf de kop. En dit is juist de plaats waar de snoek zich op richt. De snoek zal met een snelheid van 40 kilometer per uur op de prooi af gaan, en kan deze snelheid in minder dan een seconde bereiken. Dit is zo snel dat het lijkt of hij wordt afgevuurd als een kanonskogel. De aanval duurt vaak niet langer dan 0,2 seconde (afhankelijk van de afstand). De snoek eet alles wat hij op zijn weg tegenkomt en niet te groot is. Dit kunnen bijvoorbeeld kreeftjes, vis, kikkers en zelfs jonge eenden zijn. Het gebeurt wel eens dat een snoek tegen zijn prooi botst. De prooi was dan te dicht bij en hij had geen tijd om zijn bek open te doen. Er zijn zelfs jachttechnieken gezien dat snoeken vanaf de bodem razend snel naar de oppervlakte zwemmen boven het water uit springen en zich dan op het prooidier van bovenaf storten.









Copyright © door Leer duiken bij duikvereniging Lake Diving Utrecht Alle Rechten Voorbehouden.

Gepubliceerd op: 2004-07-15 (2905 maal gelezen)

[ Ga terug ]

Pagina Rendering: 0.06 Seconden

:: phpib2 phpbb2 style by phpbb2.de :: PHP-Nuke theme by www.nukemods.com ::